Meditatie: Gaan voor God in plaats van gaan voor goud!

Gaan voor God in plaats van gaan voor goud!

“Maar ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar, opdat ik niet misschien, na anderen gepredikt te hebben, zelf verwerpelijk word.”

1 Cor. 9:27

Het lijkt me niet dat Paulus veel aan sport gedaan heeft. Daar had hij gewoonweg geen tijd voor. In dit hoofdstuk vertelt hij immers dat hij zich ingespannen heeft om het Evangelie te verkondigen en dat hij met zijn eigen handen de kost heeft moeten verdienen. Nacht en dag heeft hij dus moeten werken. Hij heeft dat trouwens met liefde voor God en de mensen gedaan. Elders lezen we in zijn brieven dat de lichamelijke oefening van weinig nut is, maar dat de godsvrucht nuttig is voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft. Paulus zelf zal dus niet zo’n grote sportbeoefenaar geweest zijn.

Hij gebruikt in ons tekstgedeelte en ook wel op andere plaatsen wel voorbeelden ontleend aan de sportwereld. Er werden nogal wat sportmanifestaties gehouden in Griekenland. Eén keer in de vier jaar had men tot 394 na Christus de Olympische spelen. Daarna zijn zij een tijd onderbroken. Verder had je in Corinthe één keer in de twee jaar de Isthmische spelen. Dat waren wedstrijden in de atletiek. Al lang voor de geboorte van Christus waren deze een nationale Griekse gebeurtenis. De mensen aan wie de apostel schrijft kunnen dus zijn beeldspraak evenals vandaag heel goed begrijpen.

De apostel gebruikt deze voorbeelden met een bepaald doel. Sportbeoefenaars doen er immers ontzettend veel voor om een bladerenkrans in de wacht te slepen. Toch is die krans na een paar weken verdord. Wat doen mensen er al niet voor om kampioen te worden en een medaille in de wacht te slepen. Men gaat voor goud. Wat kunnen ze er dan mee doen? Ze kunnen er niet eens de kost mee verdienen. Een paar jaar later moeten ze hoogstwaarschijnlijk weer plaats maken voor een ander. Met het sterven moeten ze in ieder geval alles achter laten, ook al zouden we nog zo veel bekers in de vitrine hebben staan of medailles in de kast hebben liggen. Al dat goud is slechts klatergoud. “Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen,” zegt Paulus.

“Maar wij doen dat een onvergankelijke krans te ontvangen,” horen we hem ook zeggen. Dat is de doelstelling die ieder christen voor ogen moet houden. Juist dat gróte doel mag ons aansporen te volharden tot het einde en getrouw te zijn tot de dood. Op deze wijze krijgt de doelstelling vermanende kracht. Van hoeveel meer waarde is immers de erfenis voor degenen die de renbaan van Christus lopen! “Het is een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor u, ” schrijft de apostel Petrus. Door de Heilige Geest gaan we zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus Jezus is, zittend aan de rechterhand Gods. Hij is voor ons meer waard dan het fijnste goud op aard’.

Op een renbaan rennen we niet in het wilde weg. We hebben de finish voor ogen. Als we aan het boksen zijn – ook dat beeld gebruikt de apostel zelfs in vers 26b – slaan we toch ook niet zo maar in de lucht. We hebben toch het doel de ander te overwinnen. Het moet er ons in de gemeente om gaan dat mensen voor Christus gewonnen en bij Hem gehouden worden. Het is dan toch niet te veel gevraagd van gelovige gemeenteleden zich in te zetten voor de arbeid in Gods Koninkrijk? Daarom nodigen wij u uit om te lopen op de renbaan van Christus. Om je uiterste best te doen in de wetenschap dat de Heere er gebruik van wil maken.

Hoe houden we het vol? Door te zien op de Overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij zit nu aan de rechterhand van God. Hij is de strijd te boven. Hij heeft alle macht ontvangen in hemel en op aarde. Hij zal met ons zijn in het strijdperk van dit leven alle de dagen tot de voleinding der wereld. Dat heeft Hij beloofd. Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht. Daar zal Hij voor zorgen.

Wat de apostel reeds gezegd heeft, geldt voor alle gemeenteleden. Daartoe worden we geroepen! Maar aan het eind noemt hij nóg eens die grote doelstelling om zichzélf ertoe aan te sporen. Waarom trotseert hij alle moeiten en zorgen en let hij niet op vermoeidheid en pijn? Wat horen we hem zeggen: “Opdat ik niet misschien, na anderen gepredikt te hebben, zelf verwerpelijk word.” Het zou toch vreselijk zijn eens als een ontrouwe dienstknecht aangemerkt te moeten worden. Anderen opgeroepen te hebben tot de wedstrijd en zelf uitgeschakeld te worden. Ook voor Paulus is het geen vanzelfsprekende zaak. Hij heeft ook nog voortdurend de strijd tegen de zonde en het eigen vlees. Zijn ambtelijk werk wordt straks ook door het vuur beproefd en dan wordt het duidelijk of het wat te betekenen heeft gehad. Vreselijk zou het zijn als het dan die proef niet zou kunnen doorstaan. Ben ik slechts een wegwijzer, een paal langs de weg of loop ik óók mee en mag ik door Gods genade zelfs voor de kudde uitgaan om de weg te wijzen en mee te trekken? Denken we daar wel eens aan ambtsbroeders? Op deze wijze komt ons ambtswerk een keer in het gericht. Laten we het maar goed voor ogen houden. Het zal ons hele bezig zijn stempelen. Loopt dan met dat duidelijke doel die prijs te ontvangen! Ga niet voor goud, maar ga voor Gód!

Geweldig is het de apostel aan het einde van de baan te horen zeggen: “Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden. Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad.” 2 Tim. 4:7,8. Hij steekt het hoofd omhoog en weet het de erekroon te zullen dragen, maar dan alleen door Hem, door Hem alleen om het eeuwig welbehagen! En wat doen we dan met die kroon? We nemen deze en werpen die neder aan de voet van de troon van God en van het Lam en spreken het uit: “U bent waardig te ontvangen de dankzegging en de eer en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid!”

Ds. H. Roseboom, Kesteren

Print Friendly, PDF & Email