Hoogmoed: “Een fatsoenlijke zonde”

SONY DSC
Ds. L.W. den Boer

Hoogmoed: “Een fatsoenlijke zonde”
“In werkelijkheid is ongeloof hoogmoed ten top, omdat je in dat geval niet buigt voor Christus. Dat kan op een vrome of op een goddeloze manier. Maar uiteindelijk ligt hoogmoed en ongeloof heel dicht bij elkaar,” vertelt ds. L. W. den Boer, die onlangs in een dienst van voorbereiding op het Heilig Avondmaal preekte over “de zonde van hoogmoed” naar aanleiding van Spreuken 16:5.

De predikant van de Hervormde Gemeente te Werkendam erkent in alle eerlijkheid dat in zijn positie hoogmoed een valkuil kan zijn. “Soms voel ik mij als ambtsdrager beter dan een ander gemeentelid, terwijl ik evenveel van Gods genade moet leven als ‘het gewone gemeentelid’. Dit gevoel wordt soms versterkt als mensen er per definitie vanuit gaan dat een dominee vanzelfsprekend dichtbij God leeft. Dat is een strelende gedachte, maar ik maak hen direct duidelijk dat dit niet automatisch het geval is. Al mag dat leven dichtbij God wel van ons als predikanten verwacht worden. Hij noemt een voorbeeld. “We zijn gezegend met een goed kerkbezoek. Als het weer eens vol is, heb ik dit gebed nodig: ‘Weerhoud, o HEER’, Uw knecht, dat hij zijn hart niet hecht, aan dwaze hovaardij’. Het gaat niet om mij, maar om Christus.”

“Ik ben niet concreet met het voorkomen van hoogmoed bezig, maar het besef van de noodzaak om ook als ambtsdrager dichtbij Christus te leven is nodig,” gaat de dominee verder. “Als ik mij richt op wie Christus is, mag ik geloven dat Hij mij meer en meer zal vormen naar Zijn beeld.” Den Boer noemt hoogmoed “ten diepste een fatsoenlijke zonde.”

Verkapte zelfhandhaving
Volgens Den Boer zou hoogmoed ook omschreven kunnen worden als zelfhandhaving. “Na een concrete zonde kan ik denken: ‘Ik blijf nu maar bij Christus vandaan. Hij ziet me al aankomen’. Maar met zonden voor God verschijnen is vernederend en daarom zijn we geneigd om ermee te blijven zitten. Dat is hoogmoed ten top. Ik wil blijven benadrukken dat het geloofsleven een voortdurende strijd is. Anders spelen we hoogmoed in de kaart. Als we onze zonden beschouwen als gepasseerd station omdat we kinderen van de Vader zijn, zijn we nog verder van huis. Het streven om meer op Christus te lijken gaat dwars door die strijd heen.”

Voortbordurend op de zonde van hoogmoed verwijst Den Boer desgevraagd naar koning Nebukadnezar, die zei: ‘Is dit niet het grote Babel, dat ik als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?’ (Daniël 4:30). Daaropvolgend volgde een stem uit de hemel en werd Nebukadnezar tijdelijk uit de mensenwereld geplaatst. Later ‘keerde zijn verstand terug’ en loofde hij God. Verder noemt de predikant Simon Petrus die ondanks zijn overtuiging om Christus te volgen later tot drie keer toe de Heere verloochende. Eerder zei Petrus: ‘Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen!’ (Mattheüs 26:35).

Vrome smoes
“God wijst ons niet op onze hoogmoed om ons de put in te praten, maar omdat Hij ons wil vernieuwen naar Zijn beeld. Daarom is belangrijk dat we tevoorschijn komen met onze tekortkomingen in plaats van onszelf handhaven. Als we daar oog voor hebben, maakt het voor ons een stuk gemakkelijker om naar de Heere toe te gaan. Juist het weigeren om naar God te gaan met onze fouten is hoogmoed. Met een vrome smoes zijn we soms te hoogmoedig om toe te geven dat we weer gefaald hebben. Het doopformulier zegt: ‘En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen.”

“Weigeren naar God toe te gaan is strelender voor mijn ego dan schuldbelijdenis. Als ik wel naar Hem toe ga, wordt die hoogmoed gebroken. Daarom zullen we telkens moeten terugkeren naar de Heere.”

Bericht overgenomen van: www.CIP.nl  (Christelijk Informatie Platform)

Print Friendly, PDF & Email