Meditatie: Blijvende Zegening

BLIJVENDE ZEGENING.  

“En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij Zich van hen verwijderde.”
Luk. 24:51a

Christus hief op de Olijfberg Zijn handen op en zegende hen die Hij in de wereld uitgezonden had en over het hoofd van hen heen Zijn gehele Kerk. Als we van Christus zijn, zijn we een gezegend volk! Deze opgeheven zegenende handen roepen bij ons het beeld op van een hogepriester. Na het brengen van het offer der verzoening en het doen van de gebeden kwam de hogepriester naar buiten om de Naam van de Heere op het daar buiten eerbiedig wachtende volk te leggen. Met de zegen van de priester begint Lukas zijn evangeliebeschrijving. Zacharias bevond zich in de tempel en het volk wachtte buiten op de zegen van de Heere. Zacharias kon echter niet spreken. Hij kon alleen maar gebaren maken. Het was slechts machteloze gebarentaal. Toen deze enige, unieke Hogepriester Zijn handen ophief, waren het geen machteloze gebaren. Hij had alle macht ontvangen in hemel en op aarde en werd met eer en heerlijkheid gekroond en ontving een Naam boven alle naam. Hij zegende na het brengen van het offer van Zijn eigen leven. Hij zegent niet alleen na het brengen, maar ook op grónd van Zijn offer. Hij had een volkomen verzoening van al onze zonden aangebracht. Hij kon en mocht zegenen.

Zegenen is wegnemen van de vloek. Deze vloek rust op ons. Er is immers gesproken door God: “Vervloekt is een ieder, die niet blijft in hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen.” Wij zijn vloekwaardig. Als de vloek op ons rust, zijn we van God gescheiden. Leven onder de vloek betekent: God in alles tegen hebben! Als de Heere ons daar eens iets van laat gevoelen, is het niet uit te houden. En wie kent de sterkte van Gods toorn en Zijn verbolgenheid naar dat Hij te vrezen is? Alleen Christus heeft dat gepeild! Hij heeft God in alles tegen gehad. Hij heeft de vloek gedragen aan het kruis en weggedragen. Hij heeft het offer der verzoening gebracht. Daarom werden die doorboorde handen aan het vloekhout van het kruis zegenende handen. Die handen waren vol zegen en werden op de Olijfberg geledigd. Is het ons om die zegen te doen?

Zegen betekent: God in alles mee hebben! Het tegenovergestelde van de vloek. Hij heeft de zegen voor Zijn Kerk gekocht met Zijn bloed. Hij zorgt ervoor dat de Zijnen God in alles mee hebben. Dat God weer met alle goed verzorgt en alle kwaad van ze weert of alle dingen doet medewerken ten goede. Zo’n Hogepriester hief de handen op en zegende! Hij mocht het! Hij heeft Zijn werk volbracht. Hij kon het ook! Het was geen machteloos gebaar. Op grond van Zijn werk worden vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid die voor God stand houdt, vernieuwing van leven door de Heilige Geest en bewaring bij de verworven verlossing geschonken.

Wat een verschil tussen Zijn komen en heengaan! Hij is geboren uit een vrouw, geboren onder de wet om hen die onder de wet waren, vrij te kopen. Dat werk heeft Hij volbracht. Daarom kon en mocht Hij Zich van hen verwijderen en in het geheugen van Zijn Kerk als laatste beeld Zijn zegenende handen achterlaten. Wat een troostvolle verwijdering! Als we door diepe dalen moeten: God is daar. Als we moeten door het dal van de schaduw van de dood: Hij is daar. Hij is daar met de genade van Zijn vergeving. Hij is daar met een vrede die alle verstand te boven gaat. Uit die zegende handen heeft Hij uitgestort de Geest der genade en der gebeden. Die andere Trooster, Die bij de Zijnen blijft tot in der eeuwigheid. Die doorboorde handen worden geledigd. Wat daaruit aan zegen mag voortvloeien raakt nooit op. Dat gaat nog steeds voort. Dat is blijvende zegening. We lezen immers: “En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij Zich van hen verwijderde..” Hij is niet ná de zegen opgenomen in de hemel, maar terwijl Hij hen zegende. Het wijst erop dat Hij blijvend vanuit het hemelse heiligdom Zijn handen zegenend uitbreidt over Zijn Kerk. Hij leeft aan de rechterhand van God als de grote Voorbidder. Hij pleit op Zijn offer. Hij is daar de Koning van Zijn Kerk, Die regeert door Zijn Geest en Woord. Hij leidt door Zijn Geest in al de waarheid. Hij blijft zegenen.

Onder het zegenen werden z’n voeten los van de aarde. Hij steeg al hoger en hoger. En hoe hoger Hij steeg, des te groter gebied bestreken die zegenende handen. Waar de discipelen ook heen zouden gaan in de wereld, ze zouden mogen verkeren onder die zegenende handen. Ze zouden God in alles en altijd en overal mee hebben. Onder die zegenden handen konden ze de wereld ingaan om het Evangelie te verkondigen. Hij zou met hen zijn en ook met degenen die door dat Woord in Hem geloven. Hij is dat vandaag nog evenzeer! Alle gaven in de gemeente zijn vruchten van die zegenende handen van de naar de hemel gevaren Christus. Blijvende zegening!

Ds. H. Roseboom, Kesteren

Print Friendly, PDF & Email