Koster

Onze Koster

Onlangs had ik aan het begin van de dienst Psalm 84 : 5 opgegeven. Juist toen we de bekende regels zongen:

              ” ‘k Waar liever in mijns Bondsgods woning
               een dorpelwachter, dan gewend
               aan d’ ijd’le vreugd in ‘s bozen tent…”

zag ik hem zijn gewone ronde doen door de kerk. Na alles te hebben gecontroleerd, had hij de deuren gesloten en was hij op weg naar zijn plaats, vanwaar hij alles kan overzien. De man, zonder wie de kerkdienst eigenlijk niet goed denkbaar is en die toch zo onopvallend zijn werk doet: de koster.

Het woord “koster” is eigenlijk een verbastering van het Latijnse woord “custos”, dat “wachter” betekent. Dat wil dus zeggen, dat hij de wacht houdt over het huis van God. Hij is geen ambtsdrager, zoals de ouderlingen en de diakenen, maar wel een belangrijk functionaris. In de RoomsKatholieke Kerk is de koster de assistent van de pastoor bij de eredienst en als zodanig heeft hij het recht, “geestelijke” kleding te dragen. Bij onze zuiderburen moest de koster zelfs bij zijn installatie voor het altaar verschijnen om geknield de geloofsbelijdenis te lezen en de belofte van trouw af te leggen.

Een veelzijdig man
In onze protestantse kerken gaat het allemaal wat soberder toe. Hoewel tijdens de Republiek in de 17e en 18e eeuw de koster bepaald een man van gewicht was! Want hij combineerde in vele gevallen het kostersambt met dat van schoolmeester, soms ook van doodgraver, klokluider en voorzanger.

Geen wonder dat een sollicitant naar het kosterschap aan een streng onderzoek werd onderworpen. Hij moest immers in de kerk voorlezen, maar vooral: hij had de jeugd te onderwijzen en moest dus op de hoogte zijn van de voornaamste “pointen” van de Gereformeerde religie. Met name in de begintijd van de Reformatie heeft daar nogal eens wat aan gemankeerd. Soms wisten de predikanten maar een schijntje van de Gereformeerde leer, laat staan de kosters!

Daar kwam dikwijls bij dat de veelzijdigheid van hun functie de kosters nogal eens parten speelde. Ze konden net als ieder mens maar op één plaats tegelijk zijn en moesten dan wel eens prioriteiten stellen…. Om een voorbeeld te noemen, wanneer er een sterfgeval was, dan moest er een graf worden gedolven en de klok moest worden geluid, met als gevolg dat de kinderen een vrije dag hadden….

Manusje van alles
De taken die een koster op zich nam waren van gemeente tot gemeente verschillend. Op de ene plaats werd meer van hem verwacht dan op de andere. Daarom werd er in veel gevallen een “instructie voor de koster” opgesteld, opdat de man wist, waaraan hij zich had te houden.

Behalve de reeds genoemde functies van voorlezer, voorzanger en schoolmeester kon van de koster ook gevraagd worden de zitplaatsen gelden te innen, de doop, trouw en begraafboeken bij te houden en soms (op eigen kosten!) te zorgen voor een goed verlichte en verwarmde consistoriekamer.

Was een gemeente vacant en werd er een beroep uitgebracht, dan kreeg de koster de opdracht de beroepsbrief te gaan bezorgen. En het spreekt vanzelf, wanneer de beroepen dominee op een flinke afstand van de roepende gemeente woonde, dat de koster dan een paar nachten van huis was!

En dan bevatte de instructie dikwijls bepalingen die wij als volkomen vanzelfsprekend ervaren, bijvoorbeeld dat hij altijd vriendelijk en hulpvaardig moest zijn tegenover de predikant, de ouderlingen de diakenen.

Wie nu mocht denken dat een koster met zoveel baantjes wel een onbezorgd bestaan leidde, die vergist zich. Vele kosters klaagden dat hun “salarium magher” was en dat ze hun gezin er niet van konden onderhouden. In veel gevallen werden ze uitbetaald in natura. Van een koster, die men op zijn toch al sobere beloning nog wilde korten, is bekend gebleven, dat hij de hulp van de Classis inriep, “opdat hij van desperaetheyt niet en verghae”.

Hondenslager
Eén functie was zelfs voor de koster te min en daarvoor had hij dan ook een assistent: de hondenslager. De diensten werden namen lijk in het verleden gehouden met open deuren, zodat iedereen vrij in en uit kon lopen. Dat deden echter ook de straathonden die toen in menigte rondliepen. De hondenslager was er voor aangesteld om deze beesten zo snel mogelijk naar buiten te werken, in ieder geval te zorgen dat ze geen overlast veroorzaakten.

In de kerkeraadsnotulen van Den Briel werden kennelijk honden en kinderen op één lijn gesteld, want daar wordt als taak van de hondenslager genoemd “het stillen der honden en der kinderen in de kercke”. Ergens anders maakte een hondenslager zich een keer zó kwaad op een hond die tegen hem gromde, dat hij een lange collectestok greep en deze vervolgens op de rug van de betreffende hond door midden sloeg! Allemaal tijdens de preek….

Waardering
Gelukkig behoren dergelijke (wan)toestanden tot het verleden en is de koster ook niet langer het goedkope hulpje, dat voor alles aansprakelijk kan worden gesteld. Dat neemt niet weg dat deze man op de achtergrond het wel verdient, dat de schijnwerper eens op hem wordt gericht. Weliswaar is zijn taak, vergeleken met vroeger, een stuk eenvoudiger geworden, ook doordat hem bij zijn werk allerlei gemakken ten dienste staan. Maar een manusjevanalles blijft hij toch een beetje.

Meestal is de koster al in de kerk, terwijl heel de gemeente nog op één oor ligt. En wanneer de kerkdeuren opengaan heeft hij in z’n eentje al tal van werkzaamheden verricht die nodig zijn voor een goed verloop van de eredienst. Bovendien moet hij overal tegelijk zijn en dient zijn wakend oog, voor en tijdens de dienst, over alles en iedereen te gaan.

Wanneer er vreemdelingen in de kerk komen, dan wordt van de koster verwacht dat hij hen van een zitplaats voorziet. Wordt er tijdens de dienst iemand onwel, dan is hij er als eerste bij. En als hij ook nog tot taak heeft, de kerk schoon te houden, dan wordt hij ‘s maandags geconfronteerd met talloze papiertjes als overschot van de mondvoorraad die achteloos en heus niet alleen door jonge ren op de grond gegooid zijn. Afgezien nog van het aan de banken geplakte kauwgum. Want het schijnt, getuige de regelmatige waarschuwingen in kerkbodes, in veel gemeenten een onuitroeibaar kwaad te zijn….

Bovendien krijgt de koster zeker niet de waardering die hij voor zijn vele werk  verdient. Integendeel, hij wordt meteen aansprakelijk gesteld als er iets misgaat. De ene keer stookt hij te hard, de andere keer is het te koud in de kerk. Of hij is niet attent genoeg, of hij laat de jongelui maar begaan. Enzovoorts. Kortom, veel eer legt hij met zijn werk meestal niet in. Gelukkig als hij iets kent van de vreugde in de dienst van God, waarvan David zong: “één ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik alle dagen van mijn leven mocht wonen in het huis des Heeren”.

Ik wil dit verhaal besluiten met “Een gebed voor de koster” van de dichter
Jac. Lelsz:

” Gedenk hem speciaal;
hij is een mens met zonden.
En zwarte voeten worden, Heer’,
ook in Uw huis gevonden.
Geef hem een vrolijk hart,
als hij de vloer moet kuisen;
de lange matten klopt
en boent op de plavuizen.
Hoed bovenal zijn ziel;
een koster moet óók sterven.
Hij is een dunne vaas;
zo licht valt hij in scherven”.

Ds. W.van Gorsel / Gereformeerd Weekblad
 

Print Friendly, PDF & Email